Van zo snel mogelijk online tijdens de intelligente lockdown, naar hoogwaardig blended in de anderhalve meter samenleving

De Corona-crisis laat zich voelen in elk aspect van de samenleving. In het hoger onderwijs zijn jarenlange inspanningen ten aanzien van de digitalisering van het onderwijs in een extreme stroomversnelling terechtgekomen: hele opleidingen die online worden gevolgd, tentamens die thuis worden gemaakt en op afstand worden gesurveilleerd en innovaties die van niche, opeens broodnodig blijken te zijn. Veertien universiteiten en circa 60 hogescholen die hun onderwijs helemaal online verzorgen. Een ongekende prestatie. Hoewel het lastig is om de situatie te evalueren terwijl we ons nog midden in de crisis bevinden, meenden we toch dat het goed is om eens op een rijtje te zetten wat er nu is gebeurd, wat daarvan de revenuen zijn geweest, en wat we kunnen of zelfs moeten meenemen naar de volgende fase. Daarom verzamelden een aantal specialisten ten aanzien van Digitale Leeromgevingen zich, uiteraard ook online, om hierover te spreken. Collega’s van Fundatis, associates en zelfstandige professionals deelden hun waarnemingen en visies. Samen bespraken wij wat we op dit moment zien gebeuren en welke uitdagingen we nog aan zien komen. Deze collega’s zijn momenteel werkzaam bij een heel aantal verschillende universiteiten en hogescholen en legden hun ervaringen naast elkaar. In dit artikel zoomen wij vooral in op de onderwijskundige en organisatorische onderdelen. Minstens zo interessant zijn de onderwijslogistieke aspecten van de anderhalve meter samenleving. Om dat onderwerp goed tot zijn recht te laten komen is echter een apart artikel nodig, dat komt op een later moment.

 

Wat zien we nu gebeuren?

Een breed gedeelde observatie is dat verschillende projecten en initiatieven sterk versneld zijn uitgevoerd. Er is vrijwel overal sprake van kort-cyclische besluitvorming; processen die eerder maanden zouden duren, kunnen nu in een week worden afgerond. Bij de meeste instellingen zijn docenten massaal gebruik gaan maken van voorzieningen die reeds bestonden, maar niet eerder op deze schaal werden gebruikt, zoals MS Teams. Daarnaast kenden instellingen natuurlijk medewerkers die docenten ondersteunden met het gebruik van tooling om het onderwijs mee te ondersteunen, maar deze groep professionals kreeg ineens een toonaangevende rol in de organisatie. Door de haast die was geboden om het onderwijs online te krijgen is de didactische kwaliteit van het online onderwijs niet de grootste prioriteit geweest. Met name digitaal toetsen bleek een noodzakelijke voorziening om studenten geen vertraging te laten oplopen. Reeds beschikbare digitale toetssoftware werd grootschalig ingezet en mogelijkheden voor nieuwe digitale toetsvormen met bijvoorbeeld online proctoring zijn in allerijl onderzocht. De toepassing van proctoring is een oplossing gebleken, maar wel één met privacy-bezwaren en het risico van datalekken. Alternatieve toetsmethoden zijn voorhanden, maar een bepaalde mate van fraudegevoeligheid blijft bestaan. Een alternatief is bijvoorbeeld het openboek tentamen, met als gevoeligheid niet zozeer fraude als wel de organiseerbaarheid/schaalbaarheid.

Noodoplossingen zijn er dus wel, maar de bezwaren zijn nog te groot om deze op grote schaal structureel te gaan gebruiken. Voor de nabije toekomst is het dus van belang dat er meerdere toetsvormen beschikbaar komen die veilig, organiseerbaar en kwalitatief hoogwaardig zijn.

Wat opvalt is dat er binnen veel instellingen veel meer sprake is geweest van centrale sturing van de online onderwijsactiviteiten, én acceptatie van die centrale sturing. Crisisteams en taskforces kregen de ruimte en het mandaat om met snelle oplossingen te komen die ook werden geïmplementeerd. Uiteraard hebben faculteiten naar eigen inzichten maatregelen doorgevoerd, maar de centrale kaders kregen in deze tijd veel ruimte. Ook bleek dat er meer overleg plaatsvond tussen faculteiten onderling, bijvoorbeeld gericht op concrete producten zoals onderwijstooling en het delen van geleerde lessen. Op kleinere schaal is er ook lef getoond door docenten, door ondanks de vele onzekerheden de keuze te maken om een vak online door te laten gaan.

Overal zien we dat instellingen scherpe prioriteitenoverzichten maakten. Alle aandacht is naar het online onderwijs en toetsen gegaan. Projecten met een andere focus in organisaties, die bijvoorbeeld druk zetten op beschikbare capaciteit en deskundigheid van medewerkers zijn even on hold gezet. De vraag die dit oproept, is wat de gevolgen gaan zijn als de eerste druk van de crisissituatie weer afneemt. Ontstaat er dan een file aan projecten die weer opstart? Daarnaast zijn er breed gedeelde zorgen, en ook vraagtekens over de financiële gevolgen van de Corona-crisis. Zo wordt er een afname van de (buitenlandse) studentenpopulatie verwacht en ligt het voor de hand dat er bezuinigingen vanuit het rijk worden afgekondigd, die ook het hoger onderwijs (hard) zullen raken.

Welke uitdagingen komen eraan?

Een crisissituatie vraagt om een ad hoc reactie. Zoals gezegd ontstond die ad hoc reactie via de inrichting van crisisteams met verschillende opdrachten. Nu de acute crisis langzaam in een andere fase terecht lijkt te komen is de vraag welke besturing beter past. Het vraagstuk van de crisis is gemigreerd van ‘hoe krijgen we het onderwijs online?’ naar ‘hoe krijgen we het onderwijs blended?’ En blended is fundamenteel anders (want veel rijker) dan slechts online. De anderhalve meter samenleving vraagt om een creatieve mix van on campus en online, en omdat we niet weten hoe lang de anderhalve meter samenleving richtinggevend zal zijn is het noodzakelijk dat de blended onderwijsvormen didactisch gezien van het juiste niveau zijn.

Deze veranderde focus van online naar blended vraagt ook om een andere organisatiestructuur. Waar crisisteams in een kort tijdsbestek zeer effectief zijn, vraagt een langdurigere situatie om structuur die daarbij past en een minder ad hoc karakter kent. De crisisteams die tussen maart en mei actief zijn geweest, werden veelal gekenmerkt door een tomeloze energie en daadkracht, en dat met (zeer) beperkte financiële middelen. Deze dynamiek is heel anders ervaren dan de meerjarige programma-en projectteams die via veel stroperigere processen hun resultaten neerzetten. De kunst gaat zijn om met de nieuwe focus op blended situatie die positieve dynamiek vast te houden, terwijl de schaal van de veranderingen zoveel groter wordt. Maar dan zonder de stroperigheid weer te introduceren, die vaak op de loer ligt bij grootschalige trajecten. In het kader van ‘never waste a good crisis’ kan de huidige veranderbereidheid wellicht als hefboom worden benut om de doorontwikkeling van online naar blended krachtig neer te zetten.

Online didactiek organiseren

Goed blended onderwijs berust op een goede didactische onderbouwing bij de gekozen werkvormen. Zoals eerder aangegeven lag de focus de afgelopen maanden niet persé op de didactische kwaliteit van het online onderwijs. Gelukkig zijn er intussen wel onderzoeken uitgevoerd naar bijvoorbeeld de kwaliteit van de digitale toetsen en toetsvormen (zoals online proctoring) en de toepasbaarheid van werkvormen. Bovendien klinkt overal de noodzaak door om bij de voorbereidingen op het anderhalve meter onderwijs didactiek een veel prominentere plek te geven. Organisatorisch is dat nog best een uitdaging. Veel onderwijskundigen hebben het drukker dan ooit als gevolg van de crisis en ervaren het als een uitdaging om nu tijd vrij te maken voor het voorbereiden van de vervolgstappen. Samenwerking lijkt ook nu weer een belangrijke voorwaarde om meters te kunnen maken; samenwerking door ervaringen te delen, capaciteit aan elkaar “uit te lenen” en samenwerking door tooling meer eenduidig in te zetten. Met dit laatste wordt bedoeld dat het voor de crisisteams overzichtelijker wordt om goede ondersteuning van het online/blended onderwijs neer te zetten als de set aan tools die wordt gebruikt niet te groot is en van bewezen kwaliteit en betrouwbaarheid.

Onderwijsbureaus zouden hiervoor beter in kaart moeten brengen welke didactische mogelijkheden de aanwezige tools bieden. Dit denken vanuit de functionele behoeften, in plaats vanuit de tool, is een belangrijke structurele verbetering die nu aangebracht kan worden. Hierbij kan ook de eerdergenoemde centrale sturing worden toegepast om vanuit strategisch perspectief, instellingsbreed te bepalen dat voor bepaalde functionaliteit altijd gebruik gemaakt wordt van een specifieke tool. Dit zorgt bovendien voor veel duidelijkheid en besparingen op kosten van applicaties en de didactische- en systeemondersteuning.

Aan dit artikel werkten mee

Jan de Bruin
Leo de Bruijn
Trijntje Kraak
Robert van ’t Sant
Femke van Moorsel
Pieter Wolf
Daan Jonker
Robbie Nijsse
Maud Hachmang
Anne Floor Erdman
Walter Groen

Download hier de: pdf