Accrediteren in tijden van flexibilisering

Fundatis organiseert een aantal keer per jaar verdiepende bijeenkomsten waarbij wij onszelf en onze associates up-to-date houden rondom specifieke onderwerpen in het hoger onderwijs. Dit keer was Luut Kroes, directeur van de afdeling Nederland bij de NVAO (Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie) onze gast. Met hem hebben we gesproken over de uitdagingen rondom accreditatie in tijden van toenemende flexibilisering.

Door het aanbieden van flexibele studentenroutes krijgen studenten steeds meer mogelijkheden om zelf te bepalen welke vorm en inhoud hun opleiding heeft. Hierdoor zal het traditionele concept ‘opleiding’ een nieuwe betekenis gaan krijgen. Wat betekent het voor het accreditatieproces als studenten geen vastomlijnde opleiding meer volgen?

NVAO in vogelvlucht

De NVAO is een onafhankelijke toezichthouder die als doel heeft te zorgen voor kwaliteitsborging en het bevorderen van de kwaliteitscultuur van het bekostigde en niet-bekostigde onderwijs in Nederland en Vlaanderen. Concreet betekent dit dat zij beoordelen of opleidingen voldoen aan de gewenste kwaliteit. Een student die een diploma behaalt bij een geaccrediteerde opleiding is zo verzekerd van de kwaliteit van deze opleiding. Als de accreditatietoets niet gehaald wordt, krijgt de betreffende opleiding twee jaar de tijd om zich te verbeteren en alsnog geaccrediteerd te worden.

Review panel

Niet alleen de opleidingen, ook de instellingen zelf worden beoordeeld. Als de instelling positief wordt beoordeeld, onderzoekt de NVAO de opleidingen vervolgens minder diepgaand. Bij een negatieve beoordeling, vindt er een intensief onderzoek plaats. Het accreditatieonderzoek wordt uitgevoerd door een review-panel. Dit panel bestaat uit een aantal onafhankelijke deskundigen, waaronder ook één student. Het kan soms uitdagend zijn om een review panel samen te stellen. In het geval van kleine opleidingen, zoals bijvoorbeeld een dansopleiding, blijkt het lastig om onafhankelijke panelleden te vinden.

Accreditatiegesprek

In het verleden was het gesprek met de opleiding voor de accreditatie een soort audit. Tegenwoordig wordt er voorafgaand aan het gesprek al onderzoek gedaan naar de opleiding, zodat er tijdens het gesprek zelf ook ruimte is voor de toekomstige ontwikkeling van de opleiding. Vroeger werd er nog wel eens gediscussieerd over de onderwijsvisie. Nu wordt dit niet meer gedaan omdat verschillende meningen hierover niet bepalen of een opleiding de nodige kwaliteit heeft. Er wordt wel getoetst of de manier waarop het onderwijs wordt gegeven wel aansluit bij de gekozen onderwijsvisie.

Een review-panel voert daarnaast vaak clustervisitaties uit. Dit betekent dat zij bijvoorbeeld alle universitaire bacheloropleidingen Psychologie onderzoeken. Hierdoor kan er onderling beter vergeleken worden en beter advies worden afgegeven over de kwaliteit van de betreffende opleidingen. Aan het einde van het proces stelt het review panel een rapport op. Hierin wordt over de ontwikkeling gerapporteerd en geeft het panel haar oordeel. Dhr. Kroes zet nog wel de kanttekening dat een accreditatie geen garantie is dat er niks fout kan gaan bij een opleiding of instelling.

Accreditatie en flexibilisering

Flexibilisering is nog lang niet overal (goed) georganiseerd. Ook de achterliggende discussie wordt nog uitgebreid gevoerd. Is flexibilisering wel geschikt voor alle studenten? Hebben zij niet juist behoefte aan de structuur van het traditionele systeem? Toch is de beweging onvermijdelijk ingezet en zal het begrip ‘opleiding’ langzaam een nieuwe betekenis krijgen. Opleidingen die niet meer aan traditionele formats voldoen, vragen ook om andere accreditatiemethodes en er zullen dan ook andere instrumenten moeten worden ontwikkeld.

Uitdagingen

In de praktijk bestaan er vanuit accreditatieperspectief nu al verschillende uitdagingen door toenemende flexibilisering. Zo kiezen opleidingen steeds vaker voor werkplekleren. Betekent dit dat de NVAO de kwaliteit van al deze werkplekken ook zou moeten toetsen of zou deze verantwoordelijkheid bijvoorbeeld bij de instelling gelegd worden? Een ander voorbeeld zijn deeltijdopleidingen die steeds vaker een minder traditionele opzet hebben, zoals deeltijd PABO´s die juist kortdurend en intensief zijn. Bij de beoordeling van dit soort nieuwe onderwijsvormen zullen ook andere vragen gesteld moeten worden om te bepalen of de kwaliteit van dit soort opleidingen goed geborgd is.

Instellingsaccreditatie

Volgens Dhr. Kroes is het mogelijk dat er een beweging zal ontstaan waarbij de focus ligt op de instellingsaccreditatie. Als een instelling is geaccrediteerd, krijgen ook de opleidingen binnen deze instellingen het stempel dat zij voldoen aan de vereiste kwaliteitseisen. De verantwoordelijkheid van opleidingsaccreditatie komt zo bij de instelling te liggen. Een student moet er dan vanuit kunnen gaan dat een opleiding binnen een geaccrediteerde instelling altijd de gewenste kwaliteit heeft. Steekproefsgewijs zullen opleidingen dan nog wel worden onderzocht.  Een andere mogelijkheid is risicogericht toezicht. Door middel van data- en risicoanalyse wordt bepaald bij welke opleidingen het risico op onvoldoende kwaliteit aanwezig is en waar dus verder onderzoek gedaan moet worden.

Afsluitend

Het hoger onderwijs zit middenin het proces van toenemende flexibilisering. De besproken uitdagingen en de mogelijke oplossingen laten zien dat alle aspecten van de organisatie van het hoger onderwijs beïnvloed worden door deze verandering. De toekomst zal uitwijzen welke vormen opleidingen zullen aannemen in een geflexibiliseerd stelsel en hoe deze vervolgens geaccrediteerd zullen worden.